Skip to the content

Grenzen aan de contractsvrijheid tussen ondernemingen: van evolutie tot revolutie

Zoals al aangekondigd in onze nieuwsbrief van 29 april 2019, werd door de Wet van 4 april 2019 (gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 24 mei 2019) een significante wijziging goedgekeurd aan Boek VI van het Wetboek Economisch Recht, waarbij de wetgever revolutionaire beperkingen invoert aan de bestaande contractsvrijheid tussen ondernemingen. De mosterd werd vooral gehaald bij de regels inzake consumentenbescherming.

In de wet komen drie grote pijlers aan bod: (1) het verbod op onrechtmatige bedingen, (2) het verbod op misbruik van economische afhankelijkheid en (3) het verbod op oneerlijke marktpraktijken.

  1. Verbod op onrechtmatige bedingen (“zwarte” en “grijze” lijst)

Net zoals dit geldt in een B2C-context, heeft de wetgever een lijst opgesteld van zgn. “verboden bepalingen”. Daarbij moet er een onderscheid worden gemaakt tussen de zgn. “zwarte lijst” en de zgn. “grijze lijst”.

De “zwarte lijst” omvat enkele (eerder zeldzame) bedingen die een kennelijk onevenwicht creëren tussen de wederzijdse rechten van de contractspartijen waardoor zij als manifest abusievelijk worden bestempeld en in ieder geval nietig zijn.

In de (vaker van toepassing zijnde) “grijze lijst” worden 8 bedingen opgenomen waarop een vermoeden rust dat ze onrechtmatig zijn. De onderneming kan hier wel het tegenbewijs leveren dat het beding gezien de omstandigheden en de kenmerken van het contract, geen kennelijk onevenwicht schept tussen de rechten en de plichten van partijen, rekening houdend met de concrete gevolgen voor hen.

Hieronder vallen o.a. bedingen met betrekking tot de verlenging of opzeg van de overeenkomsten tussen ondernemingen:

  • bedingen welk ertoe strekken een overeenkomst van bepaalde duur stilzwijgend te verlengen zonder dat er in een redelijke opzegtermijn wordt voorzien.
  • bedingen die een onderneming het recht geven om zonder geldige reden de prijs, kenmerken of voorwaarden van een overeenkomst eenzijdig te wijzigen;
  • bedingen die de rechten van een onderneming bij wanprestatie van de wederpartij op ongepaste wijze beperken;
  • bedingen die de aansprakelijkheid van een onderneming beperken voor opzet of zware fout of, behoudens overmacht, voor het niet-uitvoeren van essentiële verplichtingen die het voorwerp van de overeenkomst uitmaken;
  • bedingen die forfaitaire schadevergoedingen vastleggen bij wanprestatie die kennelijk niet evenredig zijn met het potentieel nadeel van de wederpartij bij zulke wanprestatie (voorheen kon de rechter dergelijke bedingen reeds matigen op grond van artikel 1231 BW).

De sanctie op de aanwezigheid van een onrechtmatig beding is de nietigheid van dit beding. Ondernemingen hebben er dus belang bij om tijdig hun nieuwe B2B contracten (denk vooral aan algemene voorwaarden) hieraan aan te passen.

Deze regels zullen van toepassing zijn op contracten die afgesloten worden na 1 december 2020 alsook op bestaande contracten die na die datum worden gewijzigd of vernieuwd. De lopende contracten worden in beginsel niet getroffen door de nieuwe bepalingen.

De wetgever heeft voorlopig geen duidelijkheid verschaft over zgn. ‘stilzwijgend’ verlengde overeenkomsten (waarbij partijen de overeenkomst verderzetten na haar duurtijd). Waarschijnlijk zal dit onder een gewijzigde of vernieuwde overeenkomst vallen onder de nieuwe wet, tenzij de stilzwijgende verlenging wordt geregeld in een specifieke clausule.

  1. Verbod op misbruik economische afhankelijkheid

Een andere wijziging betreft het zgn. misbruik van ‘economische afhankelijkheid’. De wetgever tracht hiermee paal en perk te stellen aan het misbruik dat sommige grotere ondernemingen of groepen van ondernemingen maken van kleinere of afhankelijke spelers (ook al is er niet per se sprake van misbruik van machtspositie volgens het mededingingsrecht – denk bv. aan toeleveranciers van één bedrijf),  bv. door het eenzijdig opleggen van algemene voorwaarden of toetredingscontracten die niet voor onderhandelingen vatbaar zijn.

Conform de nieuwe wet is er sprake van een economische afhankelijkheid wanneer aan de volgende cumulatieve voorwaarden is voldaan:

  • er is sprake van een positie van onderworpenheid van een onderneming ten aanzien van één of meer andere ondernemingen;
  • er is voor deze onderneming geen redelijk equivalent alternatief beschikbaar binnen een redelijke termijn en onder redelijke voorwaarden en kosten;
  • deze ondernemingen kunnen prestaties of voorwaarden opleggen die niet kunnen verkregen worden in normale marktomstandigheden.

De nieuwe wet verbiedt niet de economische afhankelijkheid op zich, maar wel het misbruik ervan.

De wet somt hiervan een aantal voorbeelden op. Zo zal er sprake zijn van misbruik wanneer bepaalde aankopen of verkopen worden geweigerd door de ‘sterkere’ contractspartij, wanneer deze ten opzichte van economische partners ongelijke voorwaarden toepast bij gelijkwaardige prestaties en daar de ‘zwakkere’ contractspartij nadeel mee berokkent bij de mededinging wanneer onbillijke aan- of verkoopprijzen worden opgelegd, etc.

De naleving van het verbod op misbruik van economische afhankelijkheid zal worden gecontroleerd door de nationale mededingingsautoriteit. Bij schending van deze bepalingen kan de mededingingsautoriteit boetes opleggen die maximaal 2% van de omzet bedragen van deze onderneming.

De controle door de mededingingsautoriteit laat de mogelijkheid bestaan voor benadeelde ondernemingen om bij de rechtbank een vordering tot schadevergoeding in te leiden de staking van bepaalde onrechtmatige handelingen te vorderen of zelfs de nietigheid van de overeenkomst of een deel daarvan te vorderen.

Deze regels treden integraal in werking op 1 juni 2020.

  1. Verbod op oneerlijke marktpraktijken

Tot slot voorziet de nieuwe wet in een derde pijler waarbij het algemene verbod op oneerlijke marktpraktijken tussen ondernemingen wordt uitgebreid. Deze oneerlijke marktpraktijken kunnen zich zowel in de precontractuele als contractuele fase voordoen, alsook bij het beëindigen van de overeenkomst.

Van agressieve marktpraktijken is bijvoorbeeld sprake wanneer een “sterkere” onderneming druk uitoefent op een “zwakkere” onderneming om te contracteren. Ook het bewust achterhouden van bepaalde informatie die de andere onderneming nodig heeft om een geïnformeerd besluit te nemen over een transactie, is verboden.

Bij inbreuken kan de benadeelde ook hier een vordering tot staking inleiden bij de bevoegde rechtbank. Overtredingen van het verbod op oneerlijke markpraktijken zijn zelfs onderhevig aan strafsancties.

Deze bepalingen met betrekking tot oneerlijke marktpraktijken in B2B-contrext treden integraal in werking op 1 september 2019.

  1. Conclusie

Gelet op het ruime toepassingsgebied van de nieuwe wet en de waaier aan (zware) sancties i.g.v. inbreuken (nietigheid en onafdwingbaarheid, boetes, strafsancties, stakingsvorderingen, schadeclaims …), hoeft het geen betoog dat uw nieuwe B2B contracten, algemene voorwaarden en andere documenten hieraan moeten worden aangepast.

Het is ook raadzaam om uw lopende contracten even onder de loep te nemen met het oog op een eventuele verlenging. Bij K law staan we u hiervoor graag bij.

Latest News

Share this

How can we help?

Discover our expertise